De rekenkamer is een instituut dat sinds de Wet dualisering in werking is getreden. De wet had als doel om de raad een meer onafhankelijke positie te geven ten opzichte van het college. Het college zou de bestuurlijke macht moeten vormen, terwijl de raad zich meer zou moeten ontwikkelen als volksvertegenwoordiger. De rekenkamer onderzoekt de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur (art. 182 lid 1 GemW). Het doel is om de controlerende taak van de gemeenteraad te ondersteunen.

De centrale vraag is uit te splitsen in twee onderdelen en een aantal subvragen:

  1. Hoe werkt de rekenkamer?
    • Een beschrijving van de werkwijze.
    • Een beoordeling van de onderzoeken.
      • Beleidsrelevantie van de vraagstelling.
      • Uitwerking van de vraagstelling.
      • De gekozen onderzoeksmethode.
      • De onderbouwing van de conclusies en aanbevelingen.
      • De bruikbaarheid en concreetheid van conclusies en aanbevelingen.Het laatste punt leidt direct naar het tweede onderdeel van de vraag die werd voorgelegd:
  2. Hoe werken de conclusies en aanbevelingen door?
    • Benutting door de raad.
      • Discussie en acceptatie in de raad.
    • Benutting door het college.
      • Discussie en acceptatie in het college.
      • Benutting door de werkwijze van de doelgroep.
      • Benutting door de werkwijze van de raad.
      • Benutting door de werkwijze van het college.
      • Benutting door de werkwijze van de gemeentelijke organisatie.

Voor het creëren van een helder beeld van de effectiviteit van de rekenkamer is een bestudering van de output van de rekenkamer nodig. Dat betekent dat er een analyse zal worden gemaakt van de acht geproduceerde rapporten.
De gehanteerde methode is die van een review aan de hand van een beoordelingsschema. De vergelijking van de acht onderzoeken vindt plaats op basis van een checklist. Bij de beoordeling zal ook een vergelijking worden gemaakt met andere beoordelingen van rekenkameronderzoek (vergelijk in dat verband beoordeling van rekenkameronderzoek in het kader van de Goudvink).

Om een indruk te krijgen van de werkwijze van de rekenkamer, is voorgesteld een aantal interviews te houden met leden van de rekenkamer. Tijdens deze interviews is ingegaan op de beide deelvragen van het onderzoek. de eerste deelvraag is gevraagd naar de bruikbaarheid van de conclusies en aanbevelingen. Vervolgens kwam vraag 2 met deelvragen aan bod, voor zover deze door de geïnterviewde beantwoord kunnen worden.

Het onderzoek is eind januari 2010 afgerond met het rapport getiteld “Leren”.