egin 2008 is het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe volop bezig met voorbereidingen voor het nieuwe, derde, integrale omgevingsplan. Daarbij zal geanticipeerd worden op de nieuwe WRO, de nieuwe WABO en de groeiende rol van Europese Richtlijnen zowel op het terrein van water, natuur en ecologie als tegenwoordig ook archeologie en luchtkwaliteit.
Toch wordt bij de voorbereiding van het nieuwe omgevingsplan ook de tijd genomen om terug te kijken naar wat er reeds gerealiseerd is, welke problemen er nog liggen en wat we kunnen leren van de ervaringen met geslaagde en vastgelopen samenwerking met de bestuurlijke en maatschappelijke partners.

Dit leidt tot de volgende centrale vraagstelling: Wat vinden de samenwerkingspartners van de mate waarin de provincie en zijzelf hebben bijgedragen aan hetgeen de afgelopen vier jaar (2004-2007) werd bereikt op het vlak van nieuwbouw/kernontwikkeling enerzijds en op dat van natuur-, recreatie- en landbouw-ontwikkeling anderzijds? Op welke punten zien zij – terugkijkend – mogelijkheden voor een grotere efficiency zowel bij de provincie als ook bij zichzelf?
Om deze probleemstelling te kunnen beantwoorden wordt een aantal deelvragen onderscheiden.

  1. Wat is er in het POP-II en de nadere uitwerking daarvan geformuleerd ten aanzien van de maatregelen en doelen twee beleidslijnen:
    a. nieuwbouw/kernontwikkeling
    b. ontwikkeling natuur, landbouw en recreatie?
  2. Wat kunnen we op grond van de Drenthemonitor en andere statistische bronnen te weten komen over de mate waarin gewenste kwaliteit in de periode 2004-2007 werden bereikt?
  3. Hoe kijken de relevante samenwerkingspartners aan tegen de wijze waarop de provincie heeft bijgedragen aan de nagestreefde en ook feitelijke ontwikkelingen op de beide gebieden?
  4. Hoe kijken de relevante samenwerkingspartners aan tegen de wijze waarop zij zelf hebben bijgedragen aan de nagestreefde en ook feitelijke ontwikkelingen op de beide gebieden?
  5. In hoeverre willen medewerkers van de provincie een nadere precisering geven van de bijdrage die de provincie heeft geleverd aan de ontwikkeling op de beide gebieden?
  6. In hoeverre worden deze beelden en ervaringen over en weer gedeeld en in hoeverre lopen deze beelden en ervaringen over en weer uiteen?
  7. Welke leerpunten kunnen uit het voorgaande worden getrokken over de inrichting van de bestuurlijke samenwerking in de komende planperiode 2008-2011, rekening houdende met de nieuwe WRO?

Deze vragen worden niet zozeer gesteld als eindpunt van de implementatie van POP II, maar als beginpunt voor het maken van het volgende omgevingsplan. In de beleidscyclus is een evaluatie niet een eindpunt, maar een punt op een cirkel en deze kan worden gebruikt als een van de uitgangspunten voor het maken van nieuw beleid. Het gaat er niet om fouten te vinden, maar successen en verbeterpunten te ontdekken. Deze evaluatie mikt op betere beeldvorming en scherpere rolopvatting van de provincie en de samenwerkingspartners.
Het onderzoek gebeurt voor een belangrijk deel met behulp van interviews. Door herhaald te controleren of informatie goed is overgekomen, wordt gegarandeerd dat het eindresultaat een waarheidsgetrouw beeld van de waargenomen werkelijkheid geeft.

 

Download dit onderzoek (PDF)